Naslag Rundveehouderij

interpolis

hele naslag afdrukkenvenster sluiten

Rundveehouderij
Varkenshouderij
Pluimveehouderij

Hoofdstuk 1: Inleiding

Voor je ligt het naslagwerk rundveehouderij. Dit naslagwerk is een bijlage bij de e-learning veehouderij. In deze naslag gaan we in op de algemene gang van zaken in de rundveehouderij. Als uitgangspunt is genomen dat je na het lezen en bestuderen van dit naslagwerk:

Kortom, dat je een algemeen beeld krijgt van de branche Rundveehouderij.
In die gevallen waarin de informatie die je hier aangeboden krijgt onvoldoende is voor je werksituatie verwijzen we je handboeken en literatuur zoals: het ‘Handboek voor de Rundveehouderij’, ‘KWIN’ (kwantitatieve informatie voor de veehouderij, dit is een jaarlijkse uitgave) en vakliteratuur als ‘Oogst’, ‘de Boerderij’ en ‘Het Agrarisch Dagblad’. Verder zijn internetsites zoals die van het CBS en LEI interessant. In de literatuurlijst staan een aantal informatiebronnen.

 



Hoofdstuk 2: Sectorbeschrijving

In dit hoofdstuk wordt de rundveehouderij kort beschreven om een beeld te schetsen van de branche. Het doel hiervan is te laten zien hoe deze branche zich heeft ontwikkeld.

 

2.1 Geschiedenis

Tot begin jaren 70 was de rundveehouderij in Nederland kleinschalig. Er waren veel gemengde bedrijven met zowel varkens, kippen en akkerbouw.
Sinds het begin van de jaren zeventig is de rundveehouderij in ons land echter volop in beweging. In deze jaren zagen we een versnelde modernisering en een sterke uitbreiding. De omstandigheden om te vernieuwen waren erg gunstig.
Ook de melkproductie nam snel toe. Aan het eind van de zeventiger jaren en het begin van de jaren tachtig werden de overschotten op de zuivelmarkt steeds duidelijker. Dit leidde in 1984 tot de melkproductiebeperkende maatregelen. Alle melkveehouders kregen een melkquotum toegekend. Dit zogenaamde melkquotum is gebaseerd op de hoeveelheid melk die een melkveehouder in het referentiejaar 1983 produceerde. Deze melkrechten zijn verhandelbaar. Wanneer een melkveehouder meer melk levert dan de toegestane hoeveelheid, moet hij over het meerdere een heffing betalen, de zogenaamde superheffing.

Deze ontwikkeling van duur aan te kopen melkrechten bracht een stagnatie in schaalvergroting met zich mee omdat door de aankoop van productierechten de kostprijs van melk steeg. Door de melkquotering is de totale Europese melkproductie niet toegenomen. Hierdoor is de melkprijs op niveau gebleven. Dit prijsbehoud kwam tot stand door een actief ingrijpen aan de afzetkant middels importheffingen en exportsubsidies op melkproducten. Door de handel in melkquota (met grond) is het wel mogelijk dat individuele bedrijven verder groeien. De komende jaren wordt de melkprijsondersteuning vanuit de EU langzaam afgebouwd. Daarvoor in de plaats komt een inkomensondersteuning. De verwachting voor de Nederlandse melkveehouder is dat de effectieve melkprijs (inclusief inkomensondersteuning) zal gaan dalen. In het jaar 2003 was het totale landenquotum in Nederland 11 miljard kg melk.

Het grootste deel van de melk, geleverd aan fabrieken, wordt in kaas omgezet (fig 1). Kaas is daarmee de belangrijkste factor voor de melkprijs. Van de totaal in Nederland verhandelde kaas (productie en import) wordt 62% geëxporteerd. De geproduceerde melk in Nederland wordt hoofdzakelijk aan zuivelverwerkende bedrijven geleverd. Hiervan zijn 2 bedrijven coöperaties, namelijk Campina en Friesland Coberco Dairy Foods (FCDF). Deze 2 coöperaties verwerken ca 80 % van de melk en ze behoren tot de top 10 van de grootste Europese zuivelondernemingen.

Figuur 1 :Afzet van Nederlandse melk naar eindproduct (2003)
Afzet van Nederlandse melk naar eindproduct (2003)

 

2.2 Structuur

Afhankelijk van het gekozen productiedoel zijn er in de rundveehouderij 2 productietakken te onderscheiden, namelijk de melkveehouderij en de (rund)vleesveehouderij. Schematisch kan de rundveehouderij als volgt worden weergegeven:



Tabel 2.1:omvang rundveestapel in afgelopen jaren (bron LEI-CBS)
Jaar Totale Rundveestapel Totaal melk en fokvee Melk- en kalfkoeien Vleeskalveren Overig (vleesstieren,zoog-koeien,weidevee)
1990 4.926.000 3.564.000 1.878.000 602.000 760.000
1995 4.654.000 3.256.000 1.708.000 669.000 729.000
2000 4.070.000 2.803.000 1.504.000 783.000 484.000
2005 3.799.000 2.557.000 1.433.000 829.000 413.000


De daling van het aantal dieren in de vlees en weidevee sector komt o.a. doordat de EU- subsidies, waaronder stierpremie’s, de laatste jaren steeds lager worden en meer veranderen van ‘hoge’ prijsondersteuning naar directe (‘lagere’) inkomensondersteuning. Doordat extensieve vlees- weidebedrijven een te hoge kostprijs hebben dreigen ze hun concurrentiepositie te verliezen binnen de EU.

Het aantal melkveebedrijven is sinds de vijftiger jaren sterk afgenomen. Vooral tussen 1969 en 1980 was deze afname groot. Onderstaande tabel 2.2 geeft de enorme vermindering van het aantal bedrijven en de schaalvergroting binnen de melkveehouderij weer.

Tabel 2.2: Aantal bedrijven met melkvee en omvang door de jaren heen (bron CBS)
Jaar Bedrijven Melkkoeien per bedrijf Melk en kalfkoeien
1975 91.560 24 2.218.000
1980 67.167 35 2.356.000
1990 46.977 40 1.878.000
2000 29.467 50 1.504.000
2005 23.527 60 1.433.000


In onderstaande tabel is te zien dat 44% van de quotumhouders een quotum heeft van 500.000 kg of meer. Zij produceren 67% van de totale melkproductie.

Tabel 2.3:Relatieve verdeling van quotumhouders en van basisquotum (2005/2006)
Quotum x 1000 kg Quotumhouders (%) Basisquotum(%)
0-100 5,0 0,6
100-200 10,5 3,2
200-300 11,7 5,9
300-400 13,7 9,6
400-500 14,8 13,4
500-600 14,2 15,6
600-800 17,3 23,8
800 en meer 12,8 27,8
Nederland 100 100
Bron: CBS-LEI

 



Hoofdstuk 3: Het bedrijf

Melkveehouderij
Het hoofddoel van een melkveebedrijf is het leveren van melk. Daarnaast wordt vlees geleverd in de vorm van overtollig vee. Op sommige bedrijven is het een belangrijk doel om hoogwaardig fokmateriaal te leveren. Vrijwel alle geproduceerde melk wordt afgezet als grondstof voor de zuivelindustrie. Een aantal bedrijven houdt zich echter ook bezig met het zelf verwerken van melk tot kaas, boter, karnemelk, yoghurt, vla en kwark.

 



3.1 Vee

Op een melkveehouderij bedrijf moet de veestapel centraal staan binnen de bedrijfsvoering. De kwaliteit van het vee heeft directe invloed op de technische resultaten en daarmee ook op het financiële resultaat.

Een veehouder kan op verschillende manieren invloed uitoefenen op de kwaliteit van de veestapel.

Via fokkerij kan op lange termijn geprobeerd worden om de veestapel op een genetisch hoger peil te brengen. Ook zijn er op korte termijn factoren die de productie van de veestapel sterk beïnvloeden. Te denken valt hierbij aan:


Het voerrantsoen (kg ruwvoer en kg krachtvoer per koe per dag) heeft een directe invloed op de melkgift van de koeien en de bijbehorende gehaltes vet en eiwit. Hoeveelheid en samenstelling dienen optimaal op elkaar afgestemd te zijn om tot een gewenste productie te komen Daarnaast dient gezondheidszorg optimaal te zijn om het beste in een koe naar boven te krijgen. Een koe die geen last heeft van ziekten, blessures en slechte huisvestingsomstandigheden kan gemakkelijker een goede productie realiseren gedurende meerdere lactaties dan een koe die zich niet lekker voelt.


3.1.1 Productiedoel en rassen

In Nederland was tot ca. 20 jaar geleden vrijwel uitsluitend sprake van de zogenaamde dubbeldoel-rassen. Dubbeldoel-rassen zijn zowel geschikt voor melkproductie als voor vleesproductie. In de zeventiger jaren werd als gevolg van schaalvergroting binnen de melkveehouderij bij de fokkerij de nadruk gelegd op melkproductie en ontstond de behoefte om melkrassen te gebruiken. Omdat ook de vleesveebedrijven zich gingen specialiseren ontstond hier de behoefte om meer en meer gebruik te maken van vleesveerassen. Daarom zijn er tegenwoordig hoofdzakelijk specifieke melkrassen en vleesrassen.

In onderstaande tabel 3.1 zijn de verschillende rassen met productiedoel en kenmerken toegelicht.

Tabel 3.1: In Nederland voorkomende melkveerassen met productiedoel en kenmerken.

naam ras

productiedoel

kenmerken

Fries-Hollands ras (FH)

dubbeldoel

  • zwartbont (klein % roodbont)
  • compacte bouw
  • redelijke bespiering , geschikt voor vleesproductie en melkproductie, lage melkproductie met hoge vet en eiwit gehalten
  • Holstein-Frisian (HF en RHF)

    melk

  • Vooral zwartbont of roodbont (RHF)
  • Groot, lang, smal
  • Armer bespierd
  • hoge melkproductie, vet en eiwitgehalten wat lager t.o.v. van FH en Jersey
  • Jersey

    melk

  • bruin
  • klein, smal
  • sterk beenwerk
  • hoog vet/eiwit gehalte
  • lage melkproductie t.o.v. HF
  • Maas Rijn Yssel (MRY)

     

    dubbeldoel

  • roodbont met wit
  • licht gebogen rug
  • fors en bespierd, ook geschikt voor vleesproductie
  • lage melkproductie met hoge gehalten


  • In figuur 3.1. zijn enkele voorbeelden gegeven van koeienrassen. Het gaat hierbij om een zwartbondte HF (links) koe en een MRY (rechts) koe

    figuur 3.1: voorbeelden van koeienrassen

    Voorbeelden van runderrassen die gebruikt worden voor de vleesproductie zijn:

    Over het algemeen hebben deze vleesrassen de volgende kenmerken:

     



    3.1.2 Melkrassen

    Het meest gebruikte melkveeras in Nederland is momenteel de Holstein-Frisian (HF). Dit ras heeft geleidelijk de van oorsprong FH- en MRY- veestapel door middel van kruising verdrongen. Er is overigens nog wel een populatie zuivere FH, MRY en GB (Groninger Blaarkop), doch deze is in aantal klein. Ten opzichte van de oorspronkelijke rassen zijn de HF en RHF groter, langgerekter, smaller, armer bespierd, produceren ze meer melk en is de uier van betere kwaliteit. Overschakeling naar deze rassen heeft op de bedrijven nogal wat gevolgen gehad. Doordat deze HF koeien langer en groter zijn hebben veel bedrijven aanpassingen moeten doen in de huisvesting. Door een geringere bespiering werd de verkoopwaarde van jongvee voor vleesproductiedoeleinden lager, evenals de restwaarde van de overbodige koeien.



    3.1.3 Levenscyclus van de melkkoe

    Gedurende haar leven gaat een vrouwelijk rund onder verschillende namen door het leven, al naar gelang haar leeftijd, productiestadium, wel of niet drachtig zijn.
    De volgende terminologie is gangbaar (tabel 3.2):
    In sommige streken van het land zijn echter andere termen in gebruik.

    Tabel 3.2. Leeftijden en namen voor de diverse rundveecategorieën.

    benaming

    leeftijd

    aantal
    geproduceerde
    kalveren

    lichaamsgewicht
    (gemiddeld)

    bijzonderheden

    nuka

    0-14 dagen

    -

    43 kg

    nuka is nuchter kalf (krijgt alleen melk)

    kalf

    0 tot 1 jaar

    -

    43-300 kg

    -

    pink

    1 tot 2 jaar

    -

    300-575 kg

    wordt doorgaans drachtig tussen 15 en 19 maanden

    hoogdrachtige vaars

    ± 2 jaar

    0

    575 kg

    dier dat voor het eerst moet afkalven

    vaars

    2 tot 3 jaar

    1

     

    eerste kalf wordt
    meestal tussen de
    24 en 28 maanden
    geboren

    2e en 3e kalfskoe

    3 en 4 jaar

    2 / 3

     

     

    oudere koe

    5 en ouder

    minimaal 4 maal gekalfd

    650 kg

     



    3.1.4 Productiecyclus van de melkkoe

    Op ongeveer tweejarige leeftijd begint het vrouwelijk rund haar productieve leven. Ze kalft dan af (krijgt een kalf) en begint voor het eerst melk te produceren. Een melkkoe is gemiddeld zo’n 305 dagen in lactatie (hier is echter veel variatie in). De melkproductie per dag ligt gemiddeld op zo’n 25 kg (ook dit kan erg variëren). De koeien worden meestal 2 x per dag gemolken. De melkproductie neemt tot ca. 60 dagen na afkalven toe om daarna geleidelijk af te nemen. Met het vet- en eiwit-percentage is dit tegenovergesteld. In figuur 3.2 is een voorbeeld van een lactatiecurve weergegeven.

    Figuur 3.2: Voorbeeld van lactatiecurve (bron, handboek melkveehouderij)

    Om een zo rendabel mogelijke levensproductie aan melk en nakomelingen te krijgen is het van belang dat het dier regelmatig (jaarlijks) afkalft.



    Productiecyclus

    Hier zal de productiecyclus (zie figuur 3.3) met bijbehorende terminologie worden beschreven.

    Figuur 3.3:Theoretisch schema productiecyclus van een koe

    Tussenkalftijd >

    De tijd die verloopt tussen twee opeenvolgende keren afkalven. In Nederland bedraagt de tussenkalftijd (TKT) gemiddeld 417 dagen. (In theorie zou het volgens het schema 365 dagen kunnen zijn.)


    Draagtijd

    Open periode (gust)

    Een gezonde koe, die normaal heeft afgekalfd, is vanaf ongeveer 50 dagen na afkalven weer geschikt voor inseminatie.


    Lactatie periode

    Droogstandperiode

    De droogstand is een “rust”- fase waarin de koe zich kan herstellen van de afgelopen lactatieperiode, en reserves kan opbouwen voor de komende lactatieperiode.

    Daarnaast vraagt het kalf, dat in de laatste fase van de dracht zit, veel energie. De koe wordt 6 a 8 weken voor de verwachte afkalfdatum ‘drooggezet’



    3.1.5 Gezondheid

    Een van de essentiële taken van een melkveehouder is de gezondheidszorg. Het is van belang dat de veehouder een ziektebeeld in een vroeg stadium waarneemt, en vervolgens de goede maatregelen neemt. Gezondheidszorg is onder te verdelen in:



    Uiergezondheid

    Op het gebied van uiergezondheid wordt gelet op mastitis, en conditie van de spenen. Als de uier rood ziet en warm aanvoelt is dit vaak een teken van mastitis. Door middel van bacteriologisch onderzoek en celgetal bepaling kan worden vastgesteld of er sprake is van mastitis. Het celgetal mag niet te hoog zijn in de geleverde melk.


    Klauw en beengebreken

    Klauwen en benen zijn erg belangrijk voor een koe. Als zij problemen voelt kan ze niet zo makkelijk naar het voerhek of weiland toelopen. Dit heeft een negatieve invloed op de voeropname en dit zal leiden tot minder productie.



    Stofwisselingsziekten

    Treden veelal op als de rantsoenering niet is afgestemd op de behoefte van de koeien. Stofwisselingsziekten komen voor op het moment dat de koe een verminderde weerstand heeft.



    Infectieziekten

    Tegen het merendeel van de infectieziekten wordt geënt. In tabel 3.3 staat een overzicht.

    Tabel 3.3. Overzicht van een aantal belangrijke infectieziekten op een melkveebedrijf

    ziekte

    oorzaak

    symptomen

    preventie

    certificerings-/bestrijdings-programma

    opmerkingen

    IBR (infectieuze
    Bovine
    Rhinotracheitis)
    koeiengriep

    Virus

    Traanogen en
    neusuitvloeiing

    Voorkom
    aankoop
    besmette
    dieren;
    bestrijden

    ja

     

    Leptospirose
    melkerskoorts

    bacterie

    Uier slap en
    melkgiftdaling

    Verkoop
    dieren;
    antibiotica
    Voorkom
    aankoop
    besmette
    dieren

    ja

    Kan worden
    overgedragen
    op mensen

    BVD (bovine
    virus Diarree)

    virus

    Vaak zonder
    symptomen
    Embryo kan
    besmet
    worden, met als gevolg
    doodgeboorte

    Voorkom
    aankoop
    besmette
    dieren;
    Besmette
    dieren
    verkopen

    ja

     

    Paratuberculose

    bacterie

    Vermagering
    gevolgd door
    diarree

    Hygiëne;
    Aankoop
    dieren

    Ja (langer
    ermee bezig=>
    hoger niveau)

    Test niet erg
    gevoelig

    Salmonellose

    bacterie

    Koorts,
    diarree,
    verwerpen

    hygiëne

    Tankmelk
    onderzoek,
    mestonderzoek

     

    Verder kunnen infectieziekten makkelijk optreden bij verwondingen. De veehouder moet er dan ook voor te zorgen dat er zo weinig mogelijk uitstekende onderdelen in de stal zijn. Ook is hygiëne en een snelle behandeling van belang bij het voorkomen en genezen van infectieziekten.



    Hygiëne

    Hygiëne speelt een steeds belangrijkere rol op de melkveebedrijven. Naast het garanderen van productveiligheid en ketenkwaliteit voor de consument, is hygiëne ook belangrijk bij het voorkomen van ziekte insleep en verspreiding van ziekten (denk aan mond- en klauwzeer).



    3.1.6 Veeadministratie

    Met veeadministratie wordt bedoeld het bijhouden van gegevens van individuele runderen met betrekking tot gezondheid, vruchtbaarheid en melkproductie. Het doel hiervan is het constateren, behandelen en voorkomen van gezondheidsproblemen, het beheersen van de TKT en het voeren overeenkomstig met de melkproductie. De gegevens worden ook gebruikt voor selectie binnen de veestapel en voor stierkeuzes. Tevens moeten melkveehouders alle geboortes, aan- en afgevoerde koeien en dode koeien aanmelden door middel van een I&R systeem.



    I&R regeling

    In de I&R regeling (identificatie en registratie) geldt dat alle kalveren na de geboorte aangemeld moeten worden bij de I&R computer. De kalveren worden door de veehouder voorzien van twee gele oormerken (elk oor één) met daarop een streepjescode en het levensnummer. Via dit oormerknummer zijn vanaf 1992 alle runderen herkenbaar en geregistreerd in één centrale computer. Verplaatsing en sterfte moet worden doorgegeven. Op deze manier kan altijd getraceerd worden waar een dier op een bepaald moment is geweest. In geval van een besmettelijke dierziekte kan dan snel getraceerd worden met welke dieren contact is geweest.
    Het houden van niet gemerkte dieren is strafbaar.



    Melkcontrole

    Een andere vorm van administratie is de melkcontrole. Eén maal per 4 of 6 weken komt de melkcontroleur op het bedrijf en wordt de individuele melkproductie van de koeien gemeten. Daarnaast wordt van elke koe afzonderlijk een melkmonster genomen. Deze monsters worden in een laboratorium onderzocht op vet- en eiwitgehalte en celgetal (= witte bloedlichaampjes; zie ook gezondheid). Op basis van deze informatie worden een aantal kengetallen berekend die weer verwerkt worden in de melkcontrole-uitslag (zie bijlage 6). De kengetallen worden toegelicht in hoofdstuk 3.1.11.



    Exterieurbeoordeling

    Sinds 1991 wordt in Nederland gekeurd op basis van Europese richtlijnen. Dat houdt in dat de beoordelingskenmerken van de koe in twee categorieën worden verdeeld: onderbalkkenmerken en bovenbalkkenmerken.

    Onderbalkkenmerken zijn de kenmerken die je kunt constateren, waar je als het ware een meetlat naast kunt leggen.

    Ze worden beoordeeld op een schaal van 1 tot en met 9. De onderbalk vormt als het ware de streepjescode van de koe. Als een bepaald kenmerk een 9 krijgt, wil dat niet zeggen dat de koe voor dat kenmerk het beste scoort. Het is een uiterste op een as, net als score 1. Voor de achterbenen bijvoorbeeld betekent een 9 erg krom en een 1 erg recht.

    Bovenbalkkenmerken bestaan uit meerdere onderbalkkenmerken. De meetlat wordt vervangen door het oordeel. Hier gaat de echte deskundigheid en de smaak een woordje meespreken.

    De bovenbalkkenmerken zijn:

    1. ontwikkeling (afgekort tot 0);
    2. type (T);
    3. uier (U);
    4. benen (B);
    5. bespiering voor dubbeldoelvee (BS);
    6. algemeen voorkomen (AV).

    Het laatste bovenbalkkenmerk, het algemeen voorkomen, is eigenlijk al geen kenmerk meer. Het vormt het eindcijfer van de koe. Voor de overige vier/vijf liggen de punten tussen de 65 (minimum) en 99 (maximum).

    Zijn eenmaal de punten voor de bovenbalk bepaald, dan wordt het eindcijfer uitgerekend.

    Gemiddeld scoort de Nederlandse melkveestapel 80 punten voor Algemeen Voorkomen.



    Bedrijfsbegeleiding en gezondheid

    De veehouder kan meedoen aan bedrijfsbegeleiding. Hierbij komt een dierenarts regelmatig op het bedrijf om samen met de veehouder onder andere de vruchtbaarheid van de veestapel door te nemen.



    3.1.7 Leeftijdsopbouw van de melkveestapel en vervanging

    Vanzelfsprekend wordt een koe op een gegeven moment zo oud dat zij niet meer geschikt is om melk en nakomelingen te produceren. Dan moet de koe vervangen worden.

    Slijtage kan echter ook op jongere leeftijd voorkomen. Bovendien kunnen zich op elke leeftijd redenen voordoen om een koe van het bedrijf af te voeren. Normaal produceert de koe op 7-8 jarige leeftijd de grootste hoeveelheid melk. Tot deze leeftijd stijgt de productie iedere lactatieperiode om daarna geleidelijk te zakken.



    Melkgift

    Hoewel een koe zeker 20 jaar oud kan worden, bereikt zij in de praktijk gemiddeld de leeftijd van slechts 5 a 6 jaar. De belangrijkste oorzaak voor deze beperkte leeftijd is selectie op grond van:


    Het blijkt dat jaarlijks in Nederland circa 25-35 % van de melkkoeien wordt vervangen door vaarzen.

    3.1.8 Rundveeverbetering

    Het doel van rundveeverbetering is dieren te fokken die onder de huidige en de te verwachten bedrijfsomstandigheden en marktverhoudingen in staat zijn tot de meest economische productie van melk en vlees. Concreet voor de melkveehouder betekent dit dat het bij fokkerij gaat om:
    productiekenmerken:


    exterieurkenmerken:
    gebruikskenmerken
    Informatie over de productiekenmerken van de eigen veestapel haalt de veehouder uit de melkcontrole-gegevens. Hiervan kan de veehouder afleiden welke productie de koe realiseert en de bijbehorende gehaltes. Ook kan de melkkwaliteit beoordeeld worden. Vaak wordt aan de hand van de melkcontrole beoordeeld of een koe vervangen moet worden. Ook kan het rantsoen aangepast worden aan de hand van gegevens uit de melkcontrole.

    De exterieurkenmerken van zijn dieren haalt hij uit het exterieurrapport. Wat betreft de gebruikskenmerken kan hij putten uit eigen ervaring en/of eigen administratie.



    3.1.9 Vleesvee en vleesstieren

    Het houden van zoogkoeien is een extensieve vorm van rundvleesproductie. De dieren worden gehouden op een rantsoen van weidegras, hooi en graskuil. Daarbij wordt een minimale hoeveelheid krachtvoer verstrekt. De stikstofbemesting per ha grasland ligt op zoogkoeienbedrijven op een zeer laag niveau.

    Voor zoogkoeienhouderij komen vooral de vleesrassen Charolais, Limousin, Blonde d’Aquitaine en Belgische Wit-Blauwe in aanmerking.

    De huisvesting van zoogkoeien is in de meeste gevallen een afgeleide vorm van die van melkvee. Het gebruik van alleen roostervloeren komt nauwelijks voor, omdat dit vaak aanleiding geeft tot beenproblemen.

    Vleesstierenhouderij is in Nederland een intensieve vorm van rundvleesproductie. Er worden zodanige eisen aan gezondheid, grondoppervlak, veiligheid en voeding gesteld dat weidegang vrijwel uitgesloten is. De dieren worden over het algemeen gehouden op een rantsoen van snijmaïskuil aangevuld met krachtvoer en bijproducten.

    Deze vorm van rundvleesproductie heeft zich dan ook vooral ontwikkeld met de opkomst van de snijmaïsteelt; op zandgebieden in het oosten en zuiden van het land. De mestduur varieert tussen de 15 en 22 maanden en is afhankelijk van het gekozen ras of kruising



    3.1.10 Vleeskalveren

    Vleeskalveren zijn kalveren die voor vleesproductie worden gehouden vanaf Ca. 1 week tot een leeftijd van 6 maanden. Er wordt gesproken van rosé kalveren en blankvlees (witvlees) kalveren. Het verschil is dat blankvleeskalveren opgefokt worden met weinig ruwvoer en hoofdzakelijk met melkproducten. Rosé kalveren daarentegen krijgen meer ruwvoer.

    De productie van vleeskalveren vindt op gespecialiseerde bedrijven plaats. Een concentratiegebied hiervan is de Veluwe in de provincie Gelderland. De dieren worden dus vrijwel uitsluitend met kunstmelk gevoerd. Met de komst van de kunstmelk op basis van melk en melkvervangende preparaten rond 1955 kon het kalfsvlees goedkoper worden geproduceerd. De sector maakte vanuit de jaren 50 een sterke groei door.



    3.1.11 Technische kengetallen


    Melkproductie

    De hoogte van de melkproductie bepaalt in belangrijke mate de opbrengsten van een melkveebedrijf. Het niveau van de melkproductie is het resultaat van veel factoren zoals voeding, gezondheidszorg, vruchtbaarheid, fokkerij en huisvesting. Het produktieniveau zegt wel iets over het management maar geeft niet zonder meer informatie over het economisch rendement.



    Kengetallen
    De volgende kengetallen worden besproken:


    BedrijfsStandaardKoe (BSK)

    De BSK is het gestandaardiseerde bedrijfsgemiddelde voor de hoeveelheid geproduceerde melk op de dag van proefmelking (gestandaardiseerde dagproductie). Er wordt gecorrigeerd voor:

    De BSK is vooral bedoeld om schommelingen in de productie op te sporen. Grote schommelingen (dalingen) wijzen vooral in de richting van het management (voeding, melktechniek).



    Netto-opbrengsten (NO) en Lactatiewaarde (LW)

    De NO is een gestandaardiseerde 305-dagen productie die voor elke koe kan worden berekend. De voorspelde of gerealiseerde 305-dagen-produktie voor melk vet en eiwit wordt, na correctie, vermenigvuldigd met hun economische waarden. De economische waarden zijn afgeleid van “melkgeld minus voerkosten”. Er wordt gecorrigeerd voor leeftijd bij afkalven en seizoen van afkalven. De NO van een dier wordt gedeeld door de NO van het bedrijf.



    Koe-index

    De koe-index geeft de erfelijke aanleg van de melkkoeien aan. De wegingsfactoren voor het berekenen van de netto-melkgeldindex (Inet) zijn gebaseerd op een toekomstbeeld zonder contingentering en uitbetalingsprijzen voor vet en eiwit van respectievelijk € 2,00 en € 6,00. De netto-melkgeldindex (Inet) van een koe of stier wordt berekend uit de fokwaarden voor melk, vet en eiwit volgens de formule:
    Inet = (-0,08 x Fm) + (1 x Fv) + (6 x Fe)

    waarin:
    Fm = fokwaarde kg melk
    Fv = fokwaarde kg vet
    Fe = fokwaarde kg eiwit



    3.2 Melk

    Op het melkveebedrijf komt ca. 80 % - 90 % van de bruto-opbrengsten uit de melkproductie. Het is van belang om het een en ander af te weten van melk. Met name zullen genoemd worden:



    Melksamenstelling

    De samenstelling van melk varieert per koe en per ras. De melk van de Nederlandse koe heeft de volgende gemiddelde samenstelling: 87% water en 13% droge stof.

    De droge stof bestaat gemiddeld uit:
    4,20% vet;
    3,35% eiwit;
    4,60% melksuiker;
    0,85% zouten, vitaminen en enzymen.



    Economische waarde van melk

    Hoewel het melksuikergehalte het hoogst is, wordt de waarde van de melk bepaald door de gehalten aan vet en eiwit. Dit is begrijpelijk omdat vet en eiwit belangrijk zijn in zuivelproducten als boter, kaas, gecondenseerde melk en melkpoeder.



    Melkbewaring en -transport

    In de melkkoeltank wordt de melk tot 4°C gekoeld en bewaard. De melk wordt van het bedrijf gehaald door een zogenaamde Rijdende Melk Ontvangst (RMO). Een RMO is een vrachtauto met een opbouw van één of meer melktanks en een pomp voor het leegzuigen van de tank. Tevens is er apparatuur voor het meten en registreren van de hoeveelheid melk.

    Door de RMO-chauffeur wordt een melkmonster genomen. Dit monster is bedoeld om de samenstelling van de melk te bepalen en dient samen met de hoeveelheid melk als basis voor de uitbetaling. Alle genomen melkmonsters worden onderzocht op het melkcontrolestation (Zutphen).



    Melkkwaliteit en -uitbetaling

    De melk wordt per maandelijkse periode uitbetaald aan de melkveehouder. Als gevolg hiervan ontstaat een min of meer regelmatige inkomstenbron op het melkveebedrijf. De prijs wordt gebaseerd op de prijs per kg vet en eiwit in de zuivelmarkt. Daarnaast zijn er nog enkele vaste inhoudingen en vaste kosten. Ook worden grotere melkveebedrijven die meer melk leveren beter betaald doordat ze een kwantumtoeslag krijgen boven op de melkprijs.

    Daarnaast is de kwaliteit van de melk van invloed. Van oudsher kent de Nederlandse zuivelindustrie een uitgebreid kwaliteitscontrolesysteem. Dit heeft zijn oorsprong in het feit dat melk verwerkt wordt tot producten zoals bijvoorbeeld kaas en babyvoeding. Uiteraard betekent dit dat er aan de hoogste kwaliteitseisen voldaan moet worden. Van haast alle monsters wordt het vet- en eiwitgehalte bepaald, om een gemiddelde te kunnen bepalen op grond waarvan uitbetaling plaatsvindt. Van het overgebleven monster wordt de kwaliteit bepaald. Deze bepaling heeft als voornaamste doel de bescherming van de volksgezondheid en de bewaking van de bruikbaarheid van melk als grondstof voor de industrie. De toegepaste normen wordt voor een deel bepaald door EU richtlijnen. In Nederland wordt gewerkt met een zogenaamd puntenstelsel. Voor iedere afwijking worden punten toegekend en voor elk punt wordt een korting per kg melk ingehouden bij uitbetaling. In de praktijk wordt 99% van de melk zonder strafpunten geleverd. Het gedeelte dat onverhoeds toch niet aan de kwaliteitseisen voldoet wordt gesepareerd en apart verwerkt. De melk wordt bij melkveehouders alleen opgehaald als men voldoet aan de eisen van KKM.

    De afkorting KKM staat voor Keten Kwaliteit Melk en bestaat uit diverse richtlijnen met betrekking tot de productie van melk. Door de invoering van KKM in combinatie met de controle van de melkkwaliteit is het aantoonbaar dat alle melk van alle melkveehouderijbedrijven in Nederland gegarandeerd goed en veilig is en op een verantwoorde wijze is geproduceerd. KKM bestaat uit een vijftal modules, te weten:

    1. Diergeneesmiddelen
    2. Diergezondheid en –welzijn
    3. Voer en water
    4. Melkwinning, -bewaring en inrichting
    5. Reiniging en desinfectie.



    3.3 Rundveevoeding

    Rundvee heeft voer nodig:



    Runderen zijn herkauwers. Herkauwers hebben een spijsverteringskanaal dat afwijkt van dat van de mensen en andere diersoorten doordat er vier magen in voorkomen. Het darmstelsel heeft hier dezelfde functie als bij niet-herkauwers. De vier magen hebben allemaal een eigen functie.



    3.3.1 Rantsoensamenstelling

    Het is van belang dat de veehouder het juiste voerrantsoen voor zijn dieren samenstelt. Gebeurt dit niet, dan kan er ondervoeding (tekort aan energie) of onevenwichtige voeding (te kort aan mineralen) voorkomen, waardoor dieren minder gaan groeien, minder gaan produceren of zelfs ziek kunnen worden.

    Welke voedermiddelen en hoeveel van deze voedermiddelen in het rantsoen komen is afhankelijk van een aantal diergebonden factoren die de behoefte bepalen. De belangrijkste zijn hieronder genoemd:

    1. diergroep.
    2. leeftijd en lactatiestadium
    3. productieniveau
    4. opnamecapaciteit. (kg droge stof) dit speelt vooral bij melkkoeien
    5. beschikbaarheid van voer.
    6. voerkwaliteitswaarden
    7. prijs.



    3.3.2 Beschikbaarheid voer

    In het algemeen wordt op de melkveebedrijven ruwvoer afkomstig van het eigen bedrijf gevoerd. In de zomerperiode zal dit vers gras zijn en in de winterperiode graskuil en grashooi. Op de bedrijven waar het mogelijk is om snijmaïs te telen, kan zowel in de zomer als in de winterperiode naast de graslandproducten ingekuilde snijmaïs worden verstrekt.

    Naast het ruwvoer zal zelf geteeld krachtvoer of aangekocht krachtvoer worden gevoerd. Aangekochte krachtvoeders zijn meestal mengvoeders. Is er voldoende ruwvoer beschikbaar dan zal hiervan onbeperkt gevoerd worden en naar behoefte worden de rantsoenen met krachtvoer aangevuld.



    3.4 Grond en voedervoorziening

    Op rundveehouderijbedrijven is de bijbehorende grond grotendeels in gebruik als grasland en al naar gelang de grondsoort, waterhuishouding, verkaveling en klimaatomstandigheden is de grond in meer of mindere mate geschikt voor de teelt van andere voedergewassen, zoals maïs, voederbieten, luzerne en klaver. Hierbij wordt gestreefd naar een optimale opbrengst tegen zo laag mogelijke kosten.

    Naast gras is maïs het meest geteelde voedergewas. In het zuiden van Nederland wordt in verhouding meer maïs geteeld dan in het noorden, dit komt voornamelijk doordat maïs het beste groeit bij goede weersomstandigheden (in het zuiden is het groeiseizoen langer en is de temperatuursom hoger). Ook is er een verschil in grondsoorten.



    3.5 Mechanisatie en gebouwen

    Op de melkveehouderijbedrijven is in de afgelopen decennia het aantal te verzorgen dieren per arbeidskracht sterk toegenomen. Dit was mede mogelijk door toenemende mechanisatie en automatisering.

    Op een modern melkveehouderijbedrijf zijn diverse installaties, apparaten, machines, werktuigen en gereedschappen aanwezig. En nog steeds is er sprake van allerlei technische ontwikkelingen en verbeteringen.

    Voor herbouwwaarde en nieuwwaardeindicaties van gebouwen en machines zie KWIN-veehouderij 2006-2007.

    De veehouder heeft daardoor steeds meer keuzemogelijkheden waarbij hij zichzelf de volgende vragen kan stellen:



    Automatisering

    Automatisering in de melkveehouderij begon in de 70-er jaren met de introductie van de krachtvoercomputer. Hierna volgde de elektronische koekalender voor het bijhouden en analyseren van vruchtbaarheidsgegevens. Tegenwoordig is het mogelijk om met een PC en een managementprogramma allerlei gegevens te registreren, te koppelen en te analyseren. Het gaat hierbij om gegevens van het vee, het graslandbeheer en boekhoudgegevens. De hieruit voortkomende rapporten geven de veehouder inzicht in de bedrijfsvoering en kunnen gebruikt worden bij het nemen van beslissingen.

    Gegevens van externe instanties werden in het verleden op papier aangeleverd; op verzoek van de veehouder kan dit nu ook via de computer. Voorbeelden hiervan zijn melkcontrole uitslagen en stieren advies programma (SAP). Ook de ontwikkeling op gebied van internet gaat in de veehouderij steeds verder.



    Gebouwen

    De op melkveebedrijven voorkomende gebouwen voor huisvesting van melkvee en jongvee worden gepresenteerd in bijlage 2. Hieronder volgt een nadere beschrijving van deze en andere gebouwen.

    In Nederland wordt het rundvee gedurende de winterperiode ongeveer een halfjaar in stallen ondergebracht, omdat:


    Ook in de zomer kunnen stallen gebruikt worden voor huisvesting van vee. Dit is niet direct nodig voor de dieren, maar dit systeem kan als gevolg van bedrijfsvoering of verkaveling toch toegepast worden. Deze bedrijfsstrategie gaat ervan uit dat er op een efficiëntere manier gewerkt kan worden. De mest kan dan beter verdeeld worden over alle grond en op het juiste moment worden aangewend, dit is beter voor het milieu. Ook kan er een hogere graslandproductie gerealiseerd worden. Een ander belangrijk voordeel is dat het rantsoen van de koeien stabieler is. Ook kunnen de gezondheidsomstandigheden van de dieren beter gecontroleerd worden. De strategie om koeien het gehele jaar op stal te houden wordt summerfeeding genoemd. Daarnaast zorgt het op stal houden van de koeien voor een reductie van de ammoniakuitstoot.

    Naast onderdak voor vee moet er in of bij de stallen ook ruimte zijn voor:



    3.5.1 Staltypen

    De in Nederland aan te treffen staltypes onderscheiden zich in 2 soorten. Hieronder volgt van elk een korte beschrijving:

    grupstal:

    Het aandeel grupstallen in de Nederlandse veehouderij was vroeger erg groot. Bij nieuwbouw wordt echter meestal gekozen voor een ligboxenstal

    ligboxenstal: Al deze stallen hebben eigen kenmerken. In figuur 3.7 is een voorbeeld gegeven van een traditionele ligboxenstal.


    Figuur 3.7: bovenaanzicht van ligboxenstal

    Van de genoemde typen kent de ligboxenstal de grootste populariteit. Hierin worden de meeste melkkoeien gehuisvest. Hieronder zal de huisvesting van melkvee worden besproken met als uitgangspunt de ligboxenstal.



    Bijruimten

    In de ligboxenstal kunnen verder ruimtes zijn als:

    Hieronder volgt een beschrijving van bovengenoemde ruimtes.



    Melkstal

    Melken is een bezigheid die twee keer per dag terugkeert, op enkele vooral grote bedrijven zelfs drie keer. Goede werkomstandigheden zijn hierbij van groot belang. Bij een melkstal die qua grootte en inrichting is afgestemd op het aantal melkkoeien is ongeveer twee uur per keer gemoeid met het klaarmaken van de melkstal, het opdrijven van de koeien, het melken en het schoonmaken van de installatie en de melkstal.

    Er zijn verschillende soorten melkstallen. In figuur 3.8 is een voorbeeld gegeven van een 2 * 4 visgraatmelkstal. De pijlen geven de looprichting van de koeien aan. De koeien staan in een visgraat opstelling met de uiers naar de melkput toe. De melker staat in de melkput (het middelste gedeelte ligt in verdieping) en kan zo de melkstellen onderhangen.


    Figuur 3.8: bovenaanzicht 2*4 visgraat- melkstal

    In bijlage 5 is een voorbeeld van een plattegrond van een ligboxenstal weergegeven.



    Melklokaal (tanklokaal)
    In het melklokaal moet er ruimte zijn voor een melkkoeltank, een melkmachinemotor plus toebehoren en reinigingsapparatuur voor zowel melkinstallatie als melkkoeltank.

    Ook moet dit lokaal voldoen aan de hygiëne eisen die KKM stelt.(Keten – Kwaliteit – Melk, dit is een kwaliteitswaarborgingssysteem voor de melkveehouderij).



    Afkalfstal

    Een afkalfstal is nodig vanwege het belang van goede hygiëne bij de geboorte, het toezicht houden hierop en de eventuele hulpverlening. In de afkalfstal kan een stalbewakingssysteem zijn aangebracht. De camera wordt opgesteld in de afkalfstal en gericht op de koe die moet afkalven. Het Tv-scherm wordt in de slaapkamer of woonkamer opgesteld zodat de veehouder geregeld de vordering in het afkalfproces kan controleren. Hierdoor wordt met name voorkomen dat de veehouder meerdere keren naar de stal moet.



    Ziekenstal

    De ziekenstal is bedoeld voor de opvang van zieke dieren, die beter enige tijd uit de koppel kunnen worden gehaald. Het gaat hier met name om zieke dieren die veel liggen en moeilijk kunnen opstaan. Ook kan de boer door separatie meer aandacht besteden aan het dier.



    Afzonderingsstal

    De afzonderingsstal is bedoeld om tochtige koeien, te insemineren of koeien die een behandeling moeten ondergaan, bijvoorbeeld voor een klauwaandoening, korte tijd af te zonderen. De afzonderingsstal wordt meestal uitgevoerd als een standenstal.

    Op sommige bedrijven wordt de functie van afkalfstal, ziekenstal en afzonderingsstal in één ruimte ondergebracht. Belangrijk is dat alle drie de stallen gemakkelijk gereinigd en ontsmet kunnen worden.



    Kantoor

    Op sommige bedrijven is in de stal een kantoor aanwezig. In dit kantoor wordt meestal geen financiële administratie aangetroffen maar met name administratie van het vee en het graslandgebruik. Wordt op het bedrijf gebruik gemaakt van een krachtvoercomputer al of niet gecombineerd met een managementsysteem dan kan de bijbehorende apparatuur zowel in huis als op kantoor worden geplaatst.



    Jongveestallen

    Een goede en gezonde kalveropfok draagt in belangrijke mate bij aan het bedrijfsrendement. Naast een goede voeding en verzorging is een juiste huisvesting van belang. Vooral in de eerste vijf à zes levensmaanden zijn kalveren erg vatbaar voor ziekten. Daarom worden deze kalveren in verband met besmettingsgevaar vaak geheel afgezonderd van het oudere vee. Het stalklimaat is van groot belang. Het moet droog en tochtvrij zijn, lage temperaturen zijn niet nadelig. Wel moet er een goede ventilatie zijn zodat tocht en luchtvochtigheid gereguleerd kan worden. Er zijn gesloten en open stallen.



    Voeropslag

    Op een melkveehouderijbedrijf is er ruimte voor opslag van droge en natte ruwvoeders, droge krachtvoeders en af en toe ook nog voor natte krachtvoeders.

    Droge krachtvoeders worden op vrijwel alle bedrijven in bulkvorm aangeleverd en in silo’s opgeslagen. Hiervoor komen buitensilo’s en binnensilo’s in aanmerking. Binnensilo’s worden op sommige bedrijven aangetroffen boven melkstallen. Voordeel hiervan is dat de krachtvoerbrok zonder gebruik van vijzels getransporteerd kan worden naar de voorraadbakken van de voerautomaten in de melkstal.

    In geval van buitensilo’s zijn vijzels nodig om de brok uit de silo te transporteren naar de voorraadbakken van de voerautomaten in de melkstal en in de stal.



    Mestopslag systemen

    Afhankelijk van de mogelijkheden en de investeringskosten zijn er verschillende mestopslagsytemen.

    Deze zijn weer te verdelen in ondergronds (kelders) en bovengronds (mestzakken en silo’s).

    De opslagcapaciteit moet voldoende zijn om de mestproductie van dieren minimaal zes maanden op te slaan.

    De gemiddelde mestproduktie per jaar van de verschillende diercategorieën is als volgt:
    Koe ongeveer 32 M3 per jaar
    Pink ongeveer 8 M3 per jaar
    Kalf ongeveer 4 M3 per jaar



    3.5.2 Automatisch melksysteem (AMS)

    Sinds een aantal jaren is het AMS geïntroduceerd. Verwacht mag worden dat de komende jaren de verschillende systemen zich sterk ontwikkelen. Voor zowel veehouder als koe heeft dit AMS systeem voordelen.

    Een “robot” bestaat uit een basiseenheid plus 1 of 2 melkboxen. In deze melkboxen kunnen de koeien gaan staan op het moment ze gemolken willen worden.

    Koeien kunnen in een robot onbeperkt gemolken worden. Vaak gaat het hier om ongeveer 3 melkingen per dag. In figuur 3.9 is een zijaanzicht te zien van een melkrobot. De koe staan in de box en de robotarm is de melkinstallatie aan het onderhangen.


    Figuur 3.9: zijaanzicht van melkrobot

    Er zijn verschillende redenen waarom het voor een veehouder interessant is om een melkrobot aan te schaffen. De boer met een melkrobot hoeft niet meer tweemaal daags zijn koeien te melken. Dat is positief voor het sociale leven van het gezin, mede omdat de veehouder niet meer aan de vaste melktijden gebonden is en zodoende flexibeler te werk kan gaan. Daarnaast wordt hiermee een belangrijk knelpunt weg genomen om te groeien in bedrijfsomvang zonder er extra arbeid moet worden ingehuurd. Het is echter niet zo dat er alleen taken verdwijnen met de aanschaf van een melkrobot. De veehouder moet op een andere manier feeling houden met zijn koeien en daardoor bijvoorbeeld meer tijd kwijt zijn met de interpretatie van de informatie die de robot afgeeft.

    De capaciteit van een melkrobotsysteem bedraagt ± 60 koeien. Met twee boxen kunnen ongeveer 120 koeien gemolken worden. Deze capaciteit varieert tussen de verschillende merken.

    De robot zal in de Nederlandse melkveehouderij in de toekomst steeds meer zijn intrede doen.



    3.6 Arbeid

    In deze paragraaf wordt de productiefactor arbeid besproken. Op het melkveehouderijbedrijf worden in de loop van één dag verschillende werkzaamheden verricht. Het gaat hierbij om dagelijks terugkerende werkzaamheden, maar ook om periodieke werkzaamheden; deze kunnen seizoensafhankelijk en/of weersafhankelijk zijn. Tijdens de periodieke werkzaamheden zijn er vaak arbeidspieken op het bedrijf, daarom wordt er dan meestal ’s avonds vaak langer doorgewerkt om deze pieken op te vangen.

    Dagelijks terugkerende werkzaamheden zijn:


    Periodiek terugkerende werkzaamheden kunnen zijn:



    3.6.1 Dagindeling

    De dagelijks terugkerende werkzaamheden zijn op vrijwel alle melkveehouderijbedrijven vergelijkbaar en geconcentreerd rondom de tijdstippen van melken en vee verzorgen.

    Op de meeste bedrijven wordt twee keer per dag gemolken, waarbij er meestal wordt gestreefd naar een interval van 12 uur voor de aanvang van het melken. Op bedrijven waar drie keer per dag wordt gemolken begint men om de ca. acht uur. Op de gangbare bedrijven is de benodigde tijd voor melken inclusief het reinigen van melkinstallatie en de melkstal anderhalf à twee uur per melkbeurt.

    Melken is een belangrijke activiteit op een melkveebedrijf. Op dat moment wordt immers het eindproduct geproduceerd en dat is sterk bepalend voor het inkomen.

    Dit moet geconcentreerd en nauwkeurig gebeuren. Daarom wordt met de keuze van een melkwinningssysteem gestreefd naar een maximale melktijd van ongeveer 2 uur.

    Dit is dan ook een van de knelpunten voor een verdere schaalvergroting.

    Het vee verzorgen vindt rondom het melken plaats, met dien verstande dat dit voor, tijdens of na het melken gebeurt. Soms worden pinken en droge koeien één maal en kalveren en melkkoeien meerdere keren per dag verzorgd. De benodigde tijd kan daarom variëren van 15 minuten tot anderhalf uur per verzorgingsbeurt per te verzorgen groep. Bij weidegang in de zomerperiode is minder tijd nodig voor de dagelijkse verzorging van het rundvee, maar is meer tijd nodig om de koeien bijeen te drijven voor een melkbeurt.

    Op sommige bedrijven wordt de administratie bijgewerkt in de avonduren, op andere bedrijven wordt dit gezien als onderdeel van de dagtaak.

    Voordat de veehouder ‘s avonds naar bed gaat vindt er vaak nog een rondgang over het bedrijf plaats en wordt er eventueel nogmaals gevoerd.

    Op vrijwel alle bedrijven is het melken de eerste werkzaamheid van de dag en op veel bedrijven wordt hier ook mee geëindigd

    Een melkveehouder werkt zeven dagen per week, waarbij op de zondag de werkzaamheden meestal worden beperkt tot het melken en vee verzorgen.



    3.6.2 Externe arbeid en loonwerk

    De mate waarin gebruik wordt gemaakt van externe arbeid en loonwerk is per bedrijf verschillend. Op veel melkveehouderijbedrijven wordt een aantal werkzaamheden structureel door loonwerkers uitgevoerd. Voorbeelden hiervan zijn slootreinigen, drainreinigen, greppelfrezen, mengmest verspreiden, grasland vernieuwen, gras inkuilen, hooibalen persen en de teelt van voedergewassen.

    Globaal kan gesteld worden dat de arbeidsbehoefte op een melkveebedrijf ongeveer 40 uur per melkkoe per jaar bedraagt. Dit betekent dat één persoon een bedrijf met ca. 50 melkkoeien kan verzorgen. Dit is echter sterk afhankelijk van de efficiëntie van bedrijfsvoering en het beleid versus eigen mechanisatie versus loonwerk. Zo is het ook mogelijk voor een enkele persoon om 100 koeien te verzorgen.

    Wanneer de veehouder lid is van een Coöperatieve Vereniging voor Agrarische Bedrijfsverzorging en Arbeidsvoorziening, kan hij ingeval van ziekte of vakantie tegen een gereduceerd tarief gebruik maken van de diensten van agrarische bedrijfsverzorgers. Als gevolg van dit lidmaatschap kan de veehouder geheel of gedeeltelijk worden vervangen door een agrarische bedrijfsverzorger.



    Hoofdstuk 4: Wet – en regelgeving

    In dit hoofdstuk worden enkele wetten en regelgeving binnen de rundveehouderij verder toegelicht.



    Welzijnswet

    Ten opzichte van een aantal jaren geleden wordt er maatschappelijk steeds meer waarde toegekend aan het dierenwelzijn. Om het dierwelzijn in goede banen te leiden heeft de overheid de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren opgesteld. Dit is een wet die voor de verschillende diersoorten nader is uitgewerkt in “besluiten”. Om kapitaalsvernietiging in huidige stallen te voorkomen gelden er voor de wettelijk verplichte stalaanpassingen overgangstermijnen.

    Identificatie en Registratie (I&R)
    Een goede gezondheid zorgt voor een efficiënte productie en is van belang voor het welzijn van het dier én de mens. Deze runderen leveren immers melk en vlees. Voor een effectieve gezondheidsbewaking en kwaliteitsborging door veehouder, dierenarts en controlerende instanties is het belangrijk dat elk individueel rund herkenbaar en traceerbaar is zodat herkomst en verblijfplaats opgespoord kunnen worden. Hiervoor is de Identificatie & Registratieregeling ontworpen.

    De identificatie werkt middels één uniek Identificatie (ID-code) nummer per dier. Elk rund heeft dit nummer in beide oren, waardoor verlies van identiteit vrijwel is uitgesloten.

    Wetgeving
    De EU heeft binnen de lidstaten richtlijnen opgesteld waarin diagnostiek en wijze van bestrijding zijn omschreven.

    In Nederland valt de bestrijding van dierziekten onder de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren. Deze wet is van toepassing op de in de ‘regeling aanwijzing besmettelijke ziekten’ vermelde aandoeningen. Mond- en klauwzeer zoals in het voorjaar van 2001 en BSE zijn onder andere aangewezen en worden op basis van de EU-richtlijnen bestreden. Andere voorbeelden van besmettelijke ziekten zijn; IBR en BVD.



    Milieuvergunning
    Een milieuvergunning staat bedrijven onder voorwaarden handelingen toe die schadelijk kunnen zijn voor het milieu. Een groot aantal bedrijven heeft een milieuvergunning nodig. Het is verboden een bedrijf te beginnen of bijvoorbeeld uit te breiden zonder een milieuvergunning.

    In de wet staat: ‘Het is verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting;
    (a) op te richten, (b) te veranderen of de werking daarvan te veranderen, (c) in werking te hebben.’

    Ook een melkveebedrijf valt onder deze wet.

    Sinds een aantal jaren vallen veel (melkvee)bedrijven onder algemene milieuregels. Bij algemene maatregel van bestuur (AmvB) kunnen met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen regels worden gesteld.



    Hoofdstuk 5: Dynamiek

    Het aantal bedrijven met melk- en kalfkoeien is afgenomen met 18.000. Van 47.000 in 1990 tot c.a. 29.000 in 2000. Als deze trend zich voortzet verdwijnt de komende 15 jaar bijna de helft van het huidige aantal bedrijven met melk- en kalfkoeien (Bron: www.cbs.nl).



    5.1 Huidige situatie

    De opbrengsten van melk en omzet en aanwas (verkoop van dieren) zijn onder druk komen te staan en de kosten voor bijvoorbeeld milieu en welzijn zijn toegenomen. Dit betekent dat de kosten beperkt moeten worden en/of dat er meer toegevoegde waarde gecreëerd moet worden om het inkomen op peil te houden.

    Door het hoge aandeel vaste kosten (grond, arbeid en kapitaal) zullen sommige ondernemers kostenbesparing realiseren door intensivering. Naast schaalvergroting kan kostenbesparing ook gerealiseerd worden door specialisatie. Hierbij moet overigens opgemerkt worden, dat de melkveehouderij zich al kenmerkt door een hoge specialisatie. Bijna 90% van het aantal bedrijven met melk- en kalfkoeien zijn gespecialiseerde melkveebedrijven.

    Gezien de grote verschillen in kosten tussen de bedrijven onderling, kan door beter management ook op kosten worden bespaard. De melkveehouder investeert niet alleen in het bedrijf, maar ook in zichzelf. Daarbij wordt meer gebruik gemaakt van managementondersteunende diensten.

    Een andere mogelijkheid om de rentabiliteit op ‘zuivere’ rundveebedrijven te vergroten is door meer toegevoegde waarde te creëren Hierdoor is het onder bepaalde omstandigheden mogelijk om voor een ‘niche’ markt te produceren en zodoende een hogere prijs te genereren. Voorbeelden van deze ‘verbrede’ landbouw zijn:


    Maar ook het meer toeleggen op verhoging van de opbrengsten uit de post omzet en aanwas kan leiden tot extra inkomsten.



    5.2 Voedselveiligheid

    De consumenten willen gezond en veilig voedsel. Daartoe moet het proces transparant en de producten traceerbaar zijn. Een aspect dat in de veehouderijsector steeds belangrijker wordt is kwaliteitswaarborging. Dit betekent dat de bedrijven aan meer eisen moeten voldoen op gebied van kwaliteit en dierenwelzijn. Om deze problematiek het hoofd te bieden is er een ketengarantiesysteem opgezet. Waarmee door de sector naar de markt toe een garantie kan worden gegeven voor de veiligheid en kwaliteit van de geproduceerde melk. Keten Kwaliteit Melk (KKM).



    5.3 Ondernemersvisies

    Zoals in elke sector zijn er ook binnen de landbouw verschillende ondernemers met verschillende visies.

    Deze verschillende visies leiden tot verschillende bedrijfsstijlen Verschillende ondernemers kunnen ingedeeld worden in groepen. Elke ondernemer stelt prioriteiten aan bepaalde onderwerpen:

    Ook kunnen er meerdere prioriteiten van toepassing zijn op een zelfde ondernemer. Deze verschillende bedrijfsstijlen resulteren in een grote variatie. Het is dan ook niet altijd mogelijk om bedrijven met elkaar te vergelijken. Het is namelijk mogelijk dat ondernemer 1 prioriteit stelt aan het vergroten van zijn bedrijf terwijl ondernemer 2 zijn schulden laag wil houden. Beide ondernemers kunnen goed aan hun individuele doelstellingen voldoen terwijl er toch een verschil in ontwikkeling van de bedrijven waar te nemen is.



    5.4 Saldo van het melkveebedrijf

    Op het melkveebedrijf wordt vaak de term saldo gebruikt. Het saldo is het verschil van de opbrengsten minus de toegerekende kosten. De toegerekende kosten hangen direct samen met het vee, het grasland en de voedergewassen. Het saldo geeft een beeld van de bedrijfsvoering in de afgesloten periode en wordt vaak gebruikt bij de bedrijfsvergelijking. Voor recente saldoberekening zie KWIN-veehouderij 2006/2007.



    Bijlage 1: Werktuigenpark

    Hieronder volgt een overzicht van machines die op melkveebedrijven aanwezig kunnen zijn. Alle gegevens komen uit KWIN-veehouderij. De gebruikte prijzen zijn gebaseerd op catalogus waarden van de belangrijkste trekkers en machines. De bedragen zijn inclusief BTW en geven slechts een indicatie weer.

    Omschrijving

    Capaciteit

    Vervangingswaarde

    Trekkracht

     

     

    trekker 2
    wielaandrijving

    45 kW

    30.600

    trekker 2
    wielaandrijving

    35 kW

    28.100

    trekker 4 wiel
    aandrijving

    45 kW

    36.800

     

     

     

    Transport

     

     

    Transportwagen

    4 ton

    4.400

    Veewagen

    6 koeien

    3.400

     

     

     

    Bemesting

     

     

    Pendelstrooier (getrokken)

    1500 liter

    4900

    Vacuummesttank

    8 m3

    16.300

    Mengmestmixer

     

    5.000

     

     

     

    Grondbewerking

     

     

    Wentelploeg

    1,2 m

    9.300

    Vorenpakke

    1,2 m

    1.800

    Cultivator vast tand

    3 m

    2.400

    Messenfrees

    3 m

    8.200

     

     

     

    Graslandverzorging

     

     

    Weidesleep

    6 m

    1.300

    Weidebloter

    3  m

    3.000

     

     

     

    Ruwvoerwinning

     

     

    Maaier / kneuzer

    3 m

    12.200

    Cirkelschudder

    6,4 m

    8.500

    Hark

    5 m

    6.800

    Opraapsnijwagen

    30 m3

    28.400

    Grasvork

    2,6 m

    2.500

     

     

     

    Voerverstrekking

     

     

    Kuilsnijvork U-snijder

    1,7 m

    6.800

    Freesvoer-mengwagen

    10 m3

    40.800

     

     

     

    Gereedschap en kleine apparatuur

     

     

    Hogedrukreiniger

    150 bar 151

    1.300

    Lasapparaat

    40-220 ampère

    246

    Compressor

    100/350 1

    900

    Veebehandelbox

     

    1.000

     

     

     

    Installaties

     

     

    Kunstmestsilo

    6 ton

    3050

    Krachtvoersilo

    8 ton

    4200

     

     

     

    Melkwinning

     

     

    Reinigingsautomaat

     

    1.900

    Gasboiler

    200 liter

    1.150

    Voorkoeler

     

    1.730

    Melkkoeltank

    5300 liter

    21.000

    Melkkoeltank

    10.000 liter

    33.700

     

     

     

     

     

     

    Krachtvoer-doseersysteem

     

     

    Zenders met halsband

    70 stuks

    2.500

    Voerstations

    3 stuks

    6.000

    Krachtvoer-computer

     

    3.000

    Overigen (bekabeling)

     

    1.200

     

     

     

    Automatisering

     

     

    PC met printer

     

    1.500

    Management-programma met updates

     

    3.000

    Melkgifteregistratie

     

     

    Zender / ontvanger

    8 stuks

    3.500

    Electrische melkmeter

    8 stuks

    10.000

    Koppeling melkmeter en computer

     

    400

    Automatische afname

    8 stuks

    5.000

    Procescomputer t.b.v.
    melkgiftregistratie en
    krachtvoerverstrekking

     

    6.000



    Bijlage 2: Gebouwen en inrichting

    Investeringsbedragen (excl BTW) diverse staltypen per ligplaats(exclusief jongveehuisvesting, melkinstallatie).Bron: KWIN 2006/2007. (De waarden zijn indicatief.)

    Staltype

    mestopslag

    Vervangingswaarde

     

     

     

    Grupstal 20-40 melkkoeien

    geen mestopslag

    3300-3700

     

    3 mnd mestopslag

    3500-3900

     

    6 mnd mestopslag

    3700-4100

     

     

     

    Ligboxenstal 40 melkkoeien

    dichte vloer/mestschuif

    3700-4100

    (staltype 1+1)

    roostervloer 3 mnd mestopslag

    3900-4300

     

    roostervloer 6 mnd mestopslag

    4200-4600

     

     

     

    Ligboxenstal 60 melkkoeien

    dichte vloer/mestschuif

    3400-4000

    (staltype 2+1)

    roostervloer 3 mnd mestopslag

    3700-4100

     

    roostervloer 6 mnd mestopslag

    3900-4600

     

     

     

    Ligboxenstal 100 melkkoeien

    dichte vloer/mestschuif

    3300-3900

    (staltype 2+2)

    roostervloer 3 mnd mestopslag

    3700-4000

     

    roostervloer 6 mnd mestopslag

    3700-4400

     

     

     

    Ligboxenstal 140 melkkoeien

    dichte vloer/mestschuif

    3100-3500

    (staltype 3+2)

    roostervloer 3 mnd mestopslag

    3400-3700

     

    roostervloer 6 mnd mestopslag

    3700-4200

     

     

     

    Potstal 30-50 melkkoeien

     

    3700-4300

     

     

     

    Heifundering

     

    300-600

    Waterbedden

     

    160-200

    Koematrassen

     

    80-150



    Investeringsbedragen complete melkstallen (incl BTW) Bron Kwin 2006/2007

    Omschrijving

    Aantal standen

    Weinig geautomatiseerd

    Normaal geautomatiseerd

    Volledig geautomatiseerd.

    Zij-aan-zij

    12

    42.000

    61.500

    69.000

     

    24

    71.000

    110.000

    117.500

     

    24 (snelwissel)

    89.000

    128.000

    135.750

     

     

     

     

     

    Visgraat

    12

    43.500

    63.000

    70.500

     

    24

    73.000

    112.500

    120.000

     

    24 (snelwissel)

    91.500

    130.500

    138.000

     

     

     

     

     

    Draaimelkstal

    24

    160.000

    199.000

    206.000

    Melkautomaat

    1 box systeem

     

     

    135.000



    Bijlage 3: Koekaart



    Klik hier voor de Koekaart


    Bijlage 4: Erf




    Bijlage 5: Plattegrond ligboxenstal




    Bijlage 6: Melkcontrole uitslag



    Klik hier voor de melkcontrole uitslag



    Klik hier voor een voorbeeld Melkcontrole uitslag, Dierenoverzicht


    Literatuurlijst

  • Anonymus, Kwantitatieve Informatie Veehouderij 2006/2007, Informatie en kennis centrum Veehouderij, Ede 2006
  • Syllabus Interne opleiding Melkveehouderij Interpolis- HAS Den Bosch


  • Vakbladen



    Internetsites